Er zweeft
een vorm
door een
verlaten
landschap.
Twee schaduwen
raken
elkaar even aan.
Als lijnen in
een verdwijnend schrift.
Tijd krult op
als rook:
soms aanwezig,
soms slechts
als vermoeden.
In dat schemergebied
wordt afscheid
een
lichte verschuiving
van lucht.
En verbondenheid
een trilling
die blijft hangen
lang nadat
de bron
in stilte
is opgelost.
Wat rest
is de
zachte
weerklank
van iets
dat nooit
heeft bestaan
en toch
weigert
te verdwijnen.